Sitemap    |    Mijn Mendel    |    Contact
  Zoeken

Nieuws

No articles match criteria.

Agenda

Studium Generale Juniorcolleges

In oktober 2009 gaat op het Mendelcollege de nieuwe reeks Juniorcolleges van start. Deze collegereeks, een Studium Generale voor de onderbouw, is bedoeld voor vwo-leerlingen die het leuk vinden om intellectueel extra uitgedaagd te worden. Docenten geven een uur lang college over onderwerpen waarmee ze zich in hun vrije tijd, tijdens hun studie of promotieonderzoek intensief bezig houden of gehouden hebben.
 De colleges worden één keer per maand gegeven van 15.15 tot 16.15 uur. Leerlingen uit klas 2 en 3 gymnasium en tto worden voor deze colleges benaderd.
 

Schooljaar 2009-2010

Juniorcollege 1 :  Robotica

Dinsdag 17 november is het derde seizoen van het Studium Generale Junior van start gegaan voor leerlingen uit de tweede en derde klas gymnasium en TTO. Hier volgt een kort verslag van het eerste juniorcollege.

De spreker is mijnheer Schalkx en als u de Mendelsite vaker bezoekt begrijpt u dat het dan over robots gaat. Hij begint met een overzicht van wat er op het gebied van robotica hier op school wordt gebouwd, geprogrammeerd en gesimuleerd. Van basisschoolleerlingen tot de hoogste klassen van de bovenbouw houden zich ermee bezig. Mijnheer Schalkx kan zijn trots niet verbergen als hij vertelt over de deelname aan de regionale wedstrijden, het NK (“Daar winnen we altijd”), het EK en het WK (“Daar zijn we door de Chinezen in de pan gehakt”).
Niet alleen het Mendel maar ook ons land blijkt voorop te lopen in robotica. Een voorbeeld van zo’n voorop lopende robot is “De Knie”, de eerste robot die loopt op twee benen met beweegbare knieën. In de VS wordt haar naam verbasterd tot Denise (< the knees). We krijgen haar te zien op een filmpje.
Mijnheer Schalkx laat ook een zelfgemaakte lego-robot zien die zichzelf kleuren leert herkennen en vervolgens een slingerend pad volgt. Je kan robots zelfs laten voetballen, maar tot nu toe doen ze dat nog erg traag en onhandig. “Wij doen alles tegelijk, maar zo’n robot moet steeds beslissen wat hij als eerste doet: evenwicht zoeken, bal zoeken, een kant uit bewegen enz.” In 2050 echter kunnen mensen waarschijnlijk niet meer van een robotelftal winnen.

Elke robot wordt geprogrammeerd en het testen kun je doen door te simuleren. Een van de leerlingen weet wel wat dat is: “Dat je het op de computer nabootst”.
Er blijkt een computertaal te zijn die alleen uit symbooltjes bestaat. En daarmee moeten de leerlingen zelf aan de slag. Het programma opstarten valt niet mee, maar al snel beginnen de leerlingen fanatiek te programmeren en na een kwartiertje zie je op de monitors robots acht bekertjes opzoeken en omver kegelen. En dat was de bedoeling.

Volgende maand komt mevrouw Van Tongeren, een van de initiatiefnemers van de Juniorcolleges, speciaal uit Italië overvliegen voor het tweede juniorcollege. Ze zal het dan hebben over Michelangelo.

Juniorcollege 2 :  de neus van de meester.

Woensdag 16 december vond het tweede juniorcollege van dit schooljaar plaats. De spreekster van deze middag, mevrouw Van Tongeren, kwam helemaal overgevlogen vanuit Italië.

Mevrouw Van Tongeren was tot vorig jaar docente klassieke talen op het Mendelcollege. Tegenwoordig woont zij in Italië, waar zij een opleiding aan de kunstacademie van Florence volgt.
Nadat mevrouw Van Tongeren de leerlingen op een kaart heeft laten zien waar dat verre Florence (Firenze in het Italiaans) eigenlijk ligt, begint zij haar juniorcollege over de kunstenaar Michelangelo (1475-1564). Aan de hand van zijn leven en werk laat zij zien over welke vaardigheden en kennis een kunstenaar allemaal moet beschikken. Kennis van de menselijke anatomie is onmisbaar. De leerlingen komen te weten dat een torso voor een beeldhouwer in feite slechts ‘een doos met een ei erop’ is. Ook leren zij dat je het niet als een belediging moet opvatten, wanneer kunstenaars zeggen dat je ‘een aardappelhoofd’ hebt. Mevrouw Van Tongeren laat de leerlingen zien hoe Michelangelo van een blok steen tot een schitterend beeldhouwwerk kwam. Het beroemdste beeldhouwwerk van Michelangelo is waarschijnlijk de ‘David’. Mevrouw Van Tongeren vertelt hoe zij tijdens haar opleiding zelf enkele onderdelen van dit beeld heeft nagemaakt. De neus van de meester is zelfs meegekomen vanuit Italië en kan door allen worden bewonderd. Aan de hand van enkele foto’s krijgen de leerlingen een indruk van de bezigheden van mevrouw Van Tongeren op de kunstacademie, waar zij begin januari aan het tweede semester zal beginnen.
Wij danken mevrouw Van Tongeren hartelijk voor haar komst en voor haar boeiende uitleg over het kunstenaarsvak, waar wij voortaan met andere ogen naar zullen kijken.

Het volgende juniorcollege zal plaatsvinden op donderdag 14 januari. Jasper Eenhoorn zal dan spreken over ‘klassieke’ muziek in de 20e eeuw.

 


 Juniorcollege 3 : Atonale muziek

 

“Niet mooi, maar anders...”

Donderdag 14 januari kwam er weer een groep van 25 leerlingen uit 2 en 3 Gymnasium & TTO in de aula bijeen voor een juniorcollege. Het was een bijzondere editie, want de spreker was dit keer een leerling uit 6 vwo, Jasper Eenhoorn.

Jasper hield een voordracht, die hij eerder al tijdens een les kunstgeschiedenis had gegeven, over de ontwikkeling van de klassieke muziek van traditioneel tot experimenteel.
Jasper is een getalenteerd spreker én musicus; hij neemt dan ook regelmatig plaats achter de piano om allerlei voorbeelden te laten horen. Eerst laat hij ons voorbeelden horen van klassieke muziek die eigenlijk iedereen mooi vindt klinken, omdat het harmonieus is (denk aan componisten als Bach, Beethoven, Mozart, Schubert). In de loop van de 19e eeuw raakt men hier echter op uitgekeken en gaan componisten experimentelere muziek maken: bijvoorbeeld stukken die gebaseerd zijn op slechts 5 tonen of stukken die de sfeer oproepen van een impressionistisch schilderij. Jasper laat met behulp van filmbeelden en live gespeelde fragmenten horen hoe de muziek zich in de loop van de tijd ontwikkelt tot atonale muziek. We ervaren dat deze muziek met al haar dissonanten niet echt lekker in het gehoor ligt. Schönberg, een belangrijke componist van atonale muziek, maakt van zijn muziekstukken bijna een wiskundige puzzel: hij maakt een toonladder van 12 tonen, die hij eerst allemaal een keer moet gebruiken, voordat hij een toon opnieuw mag gebruiken. Bovendien bevat atonale muziek vaak geen vast ritme, maar lijken lange en korte noten schijnbaar willekeurig op elkaar te volgen. Dit mag dan op het eerste gehoor niet echt mooi klinken, toch weet Jasper dit verschijnsel door zijn uitleg begrijpelijker en grijpbaarder te maken. Invloeden van de atonale muziek zijn tegenwoordig terug te vinden in de jazz- en filmmuziek. De meeste leerlingen zullen het waarschijnlijk toch maar bij de moderne popmuziek houden, waarvan ze nu wel weten dat die uiteindelijk teruggaat op de harmonieleer van Bach.

Het volgende juniorcollege zal plaatsvinden op maandag 8 februari. Dhr. Klein zal dan spreken over ‘Spelen met taal’.

 

Juniorcollege 4 : Taal

 

Maandag 8 februari sprak Theo Klein op het Juniorcollege. Mijnheer Klein heeft ruim 40 jaar op het Mendel gewerkt als docent, conrector en roostermaker. Hij geniet nu van zijn pensioen maar in tijden van nood heeft hij de afgelopen jaren steeds periodes ingevallen. Tijdens zijn carrière heeft hij Engels, Nederlands, klassieke talen en Frans gegeven. Eigenlijk is hij dus het vleesgeworden Studium Generale.

Deze keer heeft de heer Klein het over taal in het algemeen. Aan de hand van de beroemde uitspraak “Cogito, ergo sum” begint hij met een aantal lastige, filosofische vragen. “Kun je denken zonder taal?”, “Denkt een hond?”. De leerlingen geven ongewild grappige antwoorden zoals “Hij denkt niet, denk ik”.
Dan volgt de hamvraag: “Wat is taal?”. De antwoorden die de wetenschap geeft vindt mijnheer Klein “lekker vaag”, maar aan de hand van voorbeelden van vaktaal wordt het duidelijk dat het te maken heeft met communicatie binnen sociale groepen.
Ook laat hij zien dat sommige klinkers zwaar zijn en andere licht. Zo zal een olifant nooit voorbij komen trippen. En als je succesvolle slagzinnen wil maken, dan moeten die uit korte, krachtige woorden bestaan met de goede medeklinkers: “Put a tiger in your tank”. Ook blijkt dat je letters kunt classificeren aan de hand van de plaats in je mond.
Sommige zinnetjes kunnen wel vier betekenissen hebben, maar er zit ook heel veel overbodigheid in taal. La unica otra seňora venezolana is bijvoorbeeld wel vijf keer vrouwelijk.
Tot slot laat mijnheer Klein de leerlingen kennismaken met Cockney-Engels. Het rhyming slang blijkt zonder uitleg onbegrijpelijk. Maar dat ‘trouble’ echtgenote betekent ontlokt een van de aanwezige meiden een hartgrondig: “Nou ja, zeg”.
 

 

Archief 2008-2009

Juniorcollege 1: Presidenten met de billen bloot

Het openingscollege van het Studium Generale voor de Onderbouw haakte afgelopen donderdag in op de actualiteit. Op 4 november vinden de presidentsverkiezingen in Amerika plaats. Wat gaan die verkiezingen Nederland aan? Meneer Van de Laarschot (docent maatschappijleer) somt wat voelbare effecten op van het beleid dat vanuit het Capitool gedurende de afgelopen acht jaar is gevoerd: de verscherpte veiligheidsmaatregelen op Schiphol, de identificatieplicht, de uitzending van Nederlandse soldaten en de economische crisis.
Genadeloos worden de kandidaten Obama en McCain vervolgens aan een analyse onderworpen. McCain (jawel, uit de patatfamilie) geeft zich uit voor legerman met een heldenstatus. Hij wil ook een familieman zijn, al blijkt hij tevens een zwak te hebben voor de billen van zijn blunderende running mate Palin. Geboeid hoort de groep deelnemers uit 2 en 3 vwo toe. ‘Wat doet een vice-president?’, wil Olivier (3A) weten. ‘En wat ziet McCain in de onervaren Palin?’, vraagt Tijs (2EG). Republikein Palin heeft twee eigenschappen die de democraten veel goodwill opleveren: ze is jong (net als Obama) en vrouw (zoals de populaire Hillary). Zo koos democraat Obama juist voor een running mate met een eigenschap waar de republikeinen zich op voorstaan: ervaring.
En nu debatteren ze al maanden, bijvoorbeeld over de oorlog in het Midden-Oosten, waar McCain vóór en Obama tegen is. Dat beide kandidaten zich goed wapenen, blijkt wel uit het volgende voorbeeld. Het gebeurde dat McCain eens zijn pols omhoog stak om het bandje te tonen van een gesneuvelde soldaat. Diens moeder had hem gevraagd ervoor te zorgen dat de Amerikaanse soldaten als triomfators uit de strijd zouden komen. Zo zou haar zoon niet voor niets gestorven zijn. Prompt toonde Obama het publiek zíjn bandje. Dát had hij van de gesneuvelde soldaat wiens moeder hem had gesmeekt ervoor te zorgen dat er niet meer soldaten zouden sneuvelen. Haar zoon moest de laatste zijn.
Gaat Obama 45 jaar na het ‘I have a dream’ van Martin Luther King geschiedenis schrijven als eerste zwarte president van Amerika? En voor wie is meneer Van de Laarschot eigenlijk zelf? Dat laatste checkte hij op de digitale stemwijzer en dat medium beveelt hij de leerlingen van harte aan. En niet vergeten om op 4 november je stem uit te brengen bij de scholierenverkiezingen!

Juniorcollege 2: Biomechanica, pretty cool stuff

Op vrijdag 14 november was het al weer tijd voor het tweede Juniorcollege, en dit keer meteen maar in het Engels. Aan de manier waarop de Amerikaanse Kerry Costello (zie Laatste Nieuws van 4 november) zich voorstelt aan onze leerlingen, blijkt dat ze al aardig ingeburgerd is. Haar kaartjes van de VS en Nederland doen erg aan het Jeugdjournaal denken.
Op de Vrije Universiteit in Amsterdam doet Kerry onderzoek naar artrose, een aandoening waarbij dat “shiny white stuff” in bijvoorbeeld je knie wordt aangetast. Dat je daar pijn van ondervindt omdat er binnen in je knie krachten werken, laat ze onze leerlingen zelf ontdekken met een heel simpel proefje met twee veren. Ook worden er verschillende manieren van opstaan uitgeprobeerd, met maar één been bijvoorbeeld, of met één van je benen gestrekt naar voren (“But isn’t that the same thing as using just one leg, miss Costello?”).
Voordat ze naar de VU kwam, ontdekte Kerry aan de befaamde Duke University hoe artrosepijn de manier waarop je loopt beïnvloedt. Genetisch gemanipuleerde muizen met artrose blijken bijvoorbeeld minder hard in hun tredmolentje te rennen.
De jonge vrouwelijke ingenieur wil ook nog wel even kwijt dat je als (biomedical) engineer allerlei kanten op kan. Ze geeft een paar voorbeelden: “Computer assisted surgery is pretty cool”.

Eens te meer blijkt dat je in Engelstalige landen goede voordrachten leert geven. Slimme vragen van de leerlingen laten zien dat ze het verhaal prima begrepen hebben. Na afloop blijven er flink wat hangen om Kerry het hemd van het lijf te vragen.

Juniorcollege 3: Is een zonnebloem goed in wiskunde?

Het derde Juniorcollege gaat over zonnebloemen en varens, maar wordt gegeven door een natuurkundige. Gelukkig begint mijnheer Mooij met een formule, maar helaas wel een rare: ‘zonnebloem + varen = romanesco’ schrijft hij aan het begin van het college op het bord. Romanesco is een soort bloemkool die bestaat uit kegelvormige roosjes en een smaak heeft die tussen bloemkool en broccoli in zit. Hij zit bovendien vol wiskunde.
Eerst wordt uitgelegd hoe het zit met die zonnebloem. Daarin zie je prachtige spiraalvormige patronen. Met flink wat telwerk laat mijnheer Mooij de leerlingen ontdekken dat die patronen voldoen aan de reeks van de wiskundige Fibonacci: 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21, 34, 55, 89 etc. (de regel waarmee je deze reeks maakt, kun je gemakkelijk zelf ontdekken). Maar voor die patronen en dat rekenwerk hoeft zo’n zonnebloem niet goed te zijn in wiskunde. Het enige dat elke nieuwe pit hoeft te doen, is zo dicht mogelijk bij het midden gaan zitten.
Een varen zit heel anders in elkaar. Dat ontdekken de leerlingen met het ‘fractalspel’, waarvoor ze elk een dobbelsteen, een liniaal en een blaadje nodig hebben. Het is een spel met maar één regel. Er wordt geconcentreerd gewerkt, je kan een dennenappel horen vallen. De computer doet het werk van de leerlingen heel snel over en er blijken mooie patronen te ontstaan. Als je een klein stukje van zo’n patroon neemt, ontstaat weer hetzelfde patroon. Dát noem je een fractal. Een varen werkt ook zo, net als de boom van Pythagoras (foto). Elk stukje van een varen ziet er weer uit als een kleine varen. En die prachtig uitziende romanesco is een combinatie van de twee simpele regels hierboven.
Een pittig college dit keer, waarvan sommige leerlingen misschien wel niet elke stap in het verhaal konden volgen. Maar de conclusie is duidelijk. Je vindt in de natuur allerlei prachtige, schijnbaar ingewikkelde patronen, die soms het gevolg zijn van heel simpele regels.

Juniorcollege 4: Wang! wang! = Woef!

Niet alleen de menselijke taal, ook de taal der dieren kwam in het vierde juniorcollege, gegeven door meneer Hammann, docent Nederlands, aan de orde. Honden zeggen in Spanje guau guau, in Engeland bow bow en in China wang wang. Dat zijn tenminste de woorden waarmee hun baasjes in de verschillende taalgebieden het geblaf omschrijven. Praten kan geen enkel dier, zelfs de papegaai van meneer Hammann niet. Ook apen kunnen, bij gebrek aan stembanden, niet spreken, maar er zijn er die na jarenlange training in staat zijn om een klein begrippenapparaat van ongeveer 40 tekens aan te leren. Wat de aap echter van de mens onderscheidt, is het principe van de recursiviteit en het creatief taalgebruik. Een mens kan met aangeleerde woorden en grammaticaregels zelf nieuwe zinnen bedenken. Dat is handig, want anders zouden we duizenden zinnen uit ons hoofd moeten leren om te communiceren.

Hoe hebben we het maken van zinnen geleerd? Niet van onze ouders. Die leerden ons wel woordjes, maar niets over het gebruik van het koppelwerkwoord, de zinsvolgorde of de functie van het woordje ‘er’. De mens heeft een aangeboren taalvermogen. Zodra je genoeg woordjes van een taal kent, kun je door dat vermogen nieuwe zinnen ‘ontwerpen’. Verwantschap tussen talen is te verklaren door het bestaan van een universele grammatica. Noam Chomsky (1928), de Newton van de taalwetenschap, deed daar onderzoek naar. Jarenlang heeft hij zich beziggehouden met het wonderlijke taalsysteem dat wij op de leeftijd van een jaar of zes al feilloos weten te gebruiken, en nóg heeft hij het niet geheel in kaart gebracht.

Hoeveel talen zijn er? Hoeveel woorden kent het Nederlands? Hoeveel woorden kent onze taal? Een Nederlandse student kent er ongeveer 35.000. Maar het aantal woorden in het Nederlands is ontelbaar. We nemen woorden over uit andere talen, en we vormen zelf steeds weer nieuwe woorden. Zo schonk het Nederlands in het jaar 2008 het leven aan neologismes als horroropa, youtubisering en kerstkribbigheid. Tel daarbij de telwoorden op en de Nederlandse woordenschat wordt oneindig ...

Het einde van dit vierde juniorcollege kwam de meeste toehoorders dan ook te vroeg. ‘Hoe zit het met verschil in stemfrequenties?’, wil Miriam weten. En Olivier vraagt zich af waarom er eigenlijk homoniemen bestaan in een taal met eindeloos veel woorden? Tijs wil nog wel horen wat de vrouwelijke vorm van luipaard is. ‘Een luimerrie soms?’, oppert meneer Potma. Kijk, dat is nou zo’n voorbeeld van creatief taalgebruik. Wéér een woord erbij.

Juniorcollege 5: Amerika goes all-in! De kredietcrisis

‘Pecunia non olet’ (geld stinkt niet), zou keizer Vespasianus gezegd hebben, toen hij de eerste munt incasserde van de ‘plasbelasting’, waarmee hij de staatskas hoopte te vullen. Voor Obama, kersvers leider van het imperium Americanum, heeft de dollar wél een luchtje. Hoe komt Amerika aan de kredietcrisis? Dat is de vraag die meneer Swarte, docent economie, in het vijfde Juniorcollege gaat beantwoorden.
Een Amerikaan heeft gemiddeld acht creditcards. Dat zijn acht pasjes waarmee hij ogenschijnlijk onbeperkt geld kan uitgeven dat hij eigenlijk niet heeft. Veel van die pasbezitters hebben schulden, die ze moeten afbetalen met torenhoge rentes. Wil een Amerikaan een huis kopen dat hij niet kan betalen, dan kon hij tot voorkort vrij gemakkelijk een hypotheek afsluiten. Niemand die onderzocht of hij schulden had en of hij die hypotheek wel kon betalen van zijn inkomen. Amerikaanse banken hebben geen zorgplicht en confronteren de hypotheekbezitters met onaangename verrassingen zoals snel oplopende rentes.
Van al die hypotheken maakten Amerikaanse banken kleine pakketjes. Pakketjes die samengesteld waren uit ‘veilige’ hypotheken (afgesloten door mensen die het geleende geld weer netjes konden terug betalen) en heel ‘onveilige’ (die waarschijnlijk nooit afbetaald zullen worden). Die pakketjes verkochten ze door aan andere banken en met het geld dat zij daarvoor kregen, sloten ze weer nieuwe hypotheken af. Dat ging goed, totdat het fout ging.
Want op een goed moment ging de huizenprijs in Amerika dalen en nam de vraag naar huizen af. De hypotheekrente steeg. En wat gebeurde er toen? De huizenbezitter die zijn hypotheek niet meer kon betalen, trok de deur achter zich dicht en leverde zijn sleutel in bij de bank. Zo verloor hij zijn huis, maar was hij verlost van zijn hypotheek. Zat de bank echter met een probleem.
De hypotheekpakketjes bleken niets waard. Andere banken kregen last van faillietangst en wilden van elkaars pakketjes niets meer weten. Een bank die geen pakketjes meer kan verkopen, heeft ook geen geld om nieuwe leningen af te sluiten. Bedrijven die geen lening meer kunnen afsluiten, gaan failliet, wat tot werkeloosheid leidt. En werkeloze mensen kopen minder. En dat leidt weer tot minder productie en meer werkeloosheid. Dat zien we nu al om ons heen. Er worden bijvoorbeeld minder auto’s verkocht. Er is dus minder staal nodig voor de autoproductie. En daardoor raken nu honderden mensen hun baan kwijt bij Corus. In Amerika is everything bigger. Zo ook de crisis. Naar verwachting zal Obama de Amerikaanse banken en spaarders strengere regels opleggen. Het is uit met de waardeloze hypotheken. Geen gespeculeer meer met ondoorzichtige hypotheekpakketjes. Maar voorlopig lijkt Amerika nog niet uit het dal te zijn opgekrabbeld…
In Nederland is het voor zowel de bank als de burger nooit mogelijk geweest om van die ‘gevaarlijke’ hypotheken af te sluiten. ‘Hoe komt het dan dat die crisis toch zo’n grote invloed heeft, zelfs op Nederland?’ wil een leerling weten. Dat komt, legt meneer Swarte uit, omdat die beruchte Amerikaanse pakketjes ook door buitenlandse, bijvoorbeeld Nederlandse banken zijn gekocht. Eén Nederlandse bank vertrouwde die pakketjes niet en die bank heeft nu betrekkelijk weinig last van de economische malaise. Maar minister Bos van Financiën heeft zijn handen vol aan andere banken. Zo laat hij onderzoek uitvoeren naar een bank die pakketjes heeft gekocht voor een bedrag van 10 miljard, die alles bij elkaar misschien niet meer dan de helft waard zijn.
Het is 16.00 uur geworden. ‘Dat is jammer’, rondt meneer Swarte af. ‘Ik had jullie willen vertellen hoe banken geld maken. Of willen jullie dat nog even horen?’ Een gretig ‘ja’ klinkt door het lokaal. In 5 minuten wordt de toehoorders uitgelegd hoe een bank met slechts 5 miljard spaargeld in kas toch 50 miljard giraal kan uitlenen. Dat geld hebben ze niet, maar op een dekking van 10% is menig bank al trots. En zolang de klanten maar van hun spaargeld afblijven, gaat het goed. Het gaat goed, totdat het fout gaat. Maar als het fout gaat, dan staat, zoals we dit jaar bij ABN-AMRO en Fortis hebben kunnen zien, de Nederlandse staat garant voor het spaargeld van de klanten.
Met een pokerface uitlenen wat je niet hebt, is dat wel helemaal eerlijk van die banken? Dat riekt naar vals spel…

Juniorcollege 6: De gulden snede

Het onderwerp van het zesde Juniorcollege, de gulden snede, is een verhoudingsmaat die je overal tegenkomt. In de bladstructuur van planten, in de composities van Mondriaan, in de afmetingen van een tekenvel of filmdoek, in de architectuur langs het spoor tussen Haarlem naar Leiden, in je eigen gezicht...

‘Meten is weten’ zeiden de oude wiskundigen. In de Griekse tempelbouw hanteerden zij verhoudingen die op het oog aangenaam overkomen. Die verhoudingsmaat (ook wel 'divina proportio' genoemd, 'goddelijke verhouding') wordt uitgedrukt met het getal 1,618: het getal φ (‘phi’). Meneer Wierda rekent het voor op een meetlat en de leerlingen typen mee op hun rekenmachine: het getal φ beschrijft de uitkomst waarbij het grootste getal gedeeld door het kleinste getal gelijk is aan het geheel gedeeld door het grootste getal. Op een meetlat van een meter geldt dus: 61,8 : 38,2 = 100 : 61,8. In de dertiende eeuw beschreef Leonardo Pisano, zoon van Bonaccio, deze regelmatigheid aan de hand van de fibonnaci-reeks.

Met passers worden de verhoudingen van de gulden snede-rechthoek zelf opgezocht. Meneer Wierda laat zien hoe je met een speciale gulden snede-passer de verhouding gemakkelijk ook zelf kunt opzoeken. Hij meet de vertakkingen van de wilde bertram (een plantje), de onderarm van Fabian, de boog van Constantijn, het Parthenon, composities van Rembrandt, Seurat, Mondriaan... De toehoorders zijn het erover eens dat het een aangename verhoudingsmaat is. Maar zouden die schilders voor hun composities echt met passers in de weer zijn geweest? En hoe zit dat met die regelmatigheid in de natuur, bestaat die echt of willen we die graag zien?

Dat blijft de vraag, antwoordt meneer Wierda. Maar jullie weten nu hoe je hem vinden kunt. Na afloop is er voor de liefhebbers een bouwplaat waarmee zelf een gulden snede-passer gemaakt kan worden. Voor wie het meetwerk thuis wil voortzetten...

Juniorcollege 7 : Esperanto: la plei bona internacia lingvo

Saluton, mi estas Fabian. Worden jullie ook niet gek van al die talen met al die grammaticaregeltjes die je op school krijgt te leren? Waarom leren we niet gewoon één gemeenschappelijke tweede taal? Zo’n taal bestaat! Het zevende Juniorcollege wordt gegeven door Fabian Kemps Verhage, de doctor Esperanto van het Mendelcollege. Fabian (5V) is een bevlogen Esperantist, die zijn schoolgenoten al jaren over de voordelen van deze regelmatige kunsttaal informeert.
Ruim honderd jaar geleden bedacht de Poolse jongen Ludwik Zamenhof een taal zonder onregelmatigheden. Hij maakte voor het idioom en de grammatica gebruik van allerlei Europese talen, maar ging onregelmatigheden uit de weg. Zo ontwierp hij een taal die klinkt zoals je hem schrijft, zonder persoonsuitgangen, zonder ingewikkelde naamvallen, zonder onregelmatige werkwoordstijden. Voor- en achtervoegsels maken van mannelijke vrouwelijke woorden en van bijvoeglijke zelfstandige naamwoorden. Zo kun je met een kleine basiswoordenschat zelf een heel aantal nieuwe woorden bedenken. ‘Man’ is in het Esperanto ‘viro’. Aangezien een zelfstandig naamwoord altijd op een –o eindigt en een vrouwelijk woord gevormd wordt met het achtervoegsel –in-, kun je zelf bedenken dat een vrouw een ‘virino’ is. Fabian geeft een voorbeeld van een ander handig voorvoegsel: mal-. Dat duidt op het tegendeel van iets. Als je weet dat warmte in het Esperanto ‘varmo’ is, dan weet je ook wat ‘malvarmo’ betekent.
Nadat Fabian de basisregels heeft doorgenomen, vertaalt het ongeoefende publiek moeiteloos de tekst over het muziekfestival Roskilde waar Fabian met zijn Esperanto-vrienden deze zomer naar toe gaat.
Als we allemaal één gemeenschappelijke taal leerden, dan zou het Europees Parlement flink kunnen bezuinigen op de vertaalkosten. Einstein, Ghandi, Chirac, de voetballer Pele, allemaal hadden ze zo hun redenen om het Esperanto te promoten. Wie van jullie ziet zo’n universele taal wel zitten? 90 % steekt zijn hand op. Het klinkt misschien onwaarschijnlijk, maar volgens Fabian is het niet ondenkbaar dat we over 20 jaar allemaal naast onze moedertaal ook Esperanto spreken.
Fabian blikt vooruit: stel, de helft van jullie maakt een vriend enthousiast voor de taal. Jullie gaan naar meneer Nijdeken en vragen om Esperantoles. Binnen een half jaar spreekt de Esperanto-club beter Esperanto dan Duits of Frans. Het Haarlems Dagblad hoort ervan en schrijft een reportage. Jongerenorganisatie LAKS ziet wel wat in de invoering van het Esperanto als schoolvak en gaat aan het lobbyen. Na een jaar staat het museumplein vol met actievoerende scholieren. Er wordt een petitie aan minister Plasterk aangeboden waarin gevraagd wordt om de invoering van het vak Esperanto. Na invoering in Nederland wordt Esperanto al snel de voertaal binnen het Europees Parlement. Dan duurt het niet lang of ook Amerika volgt en voor je het weet spreekt de hele wereld één gemeenschappelijke tweede taal. Niet realistisch?

Wie had 20 jaar geleden verwacht dat we in Europa allemaal met één munt zouden betalen? Die munt, de euro, dankt zijn naam overigens aan ... een Esperantist!

Juniorcollege 8: Klimaatverandering en massa-extincties

Het duurt even voordat mijnheer Slaterus, docent biologie, kan beginnen met zijn Juniorcollege over ‘Klimaatverandering en massa-extincties’. De fossielen die op zijn tafel liggen, zoals een reusachtige mammoetkies, blijken wel heel interessant. “Zulke oude dingen, dat we daar gewoon aan mogen zitten”. Mijnheer Slaterus merkt droogjes op dat steen niet zo snel stuk gaat. Als de leerlingen zitten, begint hij het college met een filmpje van “onze milieuridder” Al Gore over de huidige opwarming van de aarde. Met dramatische muziek en beelden van zwemmende ijsberen en overstromingen wordt de toon gezet: “The future of human civilisation is at stake”.
Mijnheer Slaterus zet de zaken in een breder perspectief. Het leven op aarde is door klimaatveranderingen enkele malen ernstig bedreigd geweest. Er zijn toen, in periodes die varieerden van een paar eeuwen tot een miljoen jaar, veel soorten verdwenen.
Het wordt duidelijk dat zo’n klimaatverandering verschillende oorzaken kan hebben, zoals de positie van de aarde in het zonnestelsel en het schuiven van de continenten. Soms verdween wel meer dan 70% van de soorten. De inslag van een meteoriet maakte mogelijk een einde aan wat we nu “het tijdperk van de dinosauriërs” noemen. Een vreemde naam, vindt mijnheer Slaterus. Er waren toen maar zo’n 55 soorten dino’s. We hebben nu bijvoorbeeld zo’n 250 soorten eekhoorns, maar wie spreekt nu van “het tijdperk van de eekhoorns”?
Gelukkig herstelde het leven zich na de massa-extincties telkens weer, hoewel dat honderdduizenden tot miljoenen jaren duurde.
De afgelopen 200 jaar gaat het uitsterven van soorten honderden tot mischien wel duizend maal sneller. Dat is onmiskenbaar het gevolg van de menselijke expansie en leefwijze. Mijnheer Slaterus zegt: “Ik geloof wel dat de biodiversiteit ooit weer gaat toenemen, maar ik heb niet het geduld om een miljoen jaar te wachten”. Hij geeft daarom tot slot een paar voorbeelden hoe je je kunt inzetten om zoveel mogelijk planten en dieren voor uitsterven te behoeden: sluit je aan bij een vereniging die zich sterk maakt voor het behoud van een natuurlijke en gezonde aarde!

Juniorcollege 9: Turbodijen en teambuilding

Vorig jaar behaalde het Nederlandse estafetteteam 4 x 100 meter een finaleplaats tijdens de Olympische Spelen in Peking. Hoe hebben we dat voor elkaar gekregen? Individuele Nederlandse sprinters halen in de wereldranglijst immers niet eens de top honderd! Wat of wie heeft hen zover gebracht?
Hun trainer is Wigert Thunnissen en hij vertelt tijdens het laatste Juniorcollege van dit schooljaar hoe hij zijn sporters op de Olympische wedstrijd heeft voorbereid. Om te beginnen leerde hij ze op elkaar te vertrouwen. Sprinters zijn individualisten en geen teamsporters. In de wetenschap dat ze als individueel sprinter een finaleplaats op hun buik konden schrijven, accepteerden de renners zijn teambuildingsactiviteiten. ‘Waarom ben je hier? Welke problemen voorzie je in dit gezelschap? Welke oplossingen en kansen zie je?’ Dit soort vragen moesten ze op een briefje beantwoorden. Eerst een team worden, pas daarna begon de training.
‘Waarom moeten die sprinters eigenlijk ook hun armspieren trainen?’ Wil Reltje Jan weten. Een sprinter met turbodijen, maar spaghettiarmpjes is uit balans, legt Wigert uit. Zo’n sporter rent minder goed dan iemand die zowel zijn armen als zijn benen getraind heeft.
Op de wissels was Wigert in zijn training gefocust. Zijn pupillen moesten zóveel oefenen met doorgeven van het stokje, dat ze op elkaar leerden vertrouwen en risico’s durfden te nemen. De tijden van de snelste sprinters van de wereld (Amerika) houden Nederland op een afstand van 2 seconden. Onoverbrugbaar. Maar het Nederlandse estafetteteam wist het Amerikaanse tot op 64 honderdste te benaderen.
Daarmee wonnen zij brons bij het WK.
In de Olympische finale ging het mis, helaas. Het laatste stokje werd niet binnen de wisselzone overgepakt. De verslagenheid was groot toen de lopers na de verloren wedstrijd de baan verlieten. Maar een team bleven ze. Wigert laat de leerlingen de opnames van Studio Sport zien. In plaats van de laatste stokaangever de hersens in te slaan, zochten ze bij elkaar troost.

Dit was het laatste Juniorcollege van het jaar. De deelnemers hebben een certificaat gekregen waarop alle colleges van dit jaar vermeld staan. Vanwege een studie in het buitenland geef ik het stokje door aan mijn collega, dhr. Wartena. Hij zal volgend jaar met dhr. Potma de nieuwe reeks Juniorcolleges begeleiden.

Een goede vakantie!
S. van Tongeren.

 

Mendelcollege    •    Pim Mulierlaan 4    •    2024 BT    •    Haarlem    •    023 - 52 58 421